· 

23. LP Rock'n Roll

Tracklisting: Be-Bop-A-Lu-La; Stand By Me: Ready Teddy/Rip It Up; You Can’t Catch Me; Ain’t That A Shame; Do You Want To Dance; Sweet Little Sixteen; Slippin’ And Slidin’; Peggy Sue; Bring It On Home To Me/Send Me Some Lovin’; Bony Moronie; Ya Ya; Just Because. John Lennon –  17 februari 1975

John Lennon had een bescheiden solo oeuvre wanneer we het vergelijken met het solowerk van Paul, George en Ringo. De reden daarvoor is duidelijk. Daar hoeven we niet op in te gaan. Wat wél de aandacht waard is, is het feit dat over alle releases van John (en Yoko) een verhaal viel te vertellen waar je hoofdschuddend en vol verwondering naar luisterde. En dan heb ik het niet alleen over de reguliere platen, maar ook over het Zapple werk uit 1968 en 1969. Anders gezegd: je kon discussiëren over de kwaliteit van de platen, maar over één ding was iedereen het met elkaar eens: met Lennon werd het nooit saai.

Die vlieger gaat zeker op voor het Rock ’n Roll album. Lennon noemde het zelf in retrospect een ‘jinxed album’, een album dat door een vloek werd achtervolgd. Daar zit zeker wat in, hoewel John daar zelf ook in grote mate aan heeft bijgedragen door aanvankelijk te kiezen voor Phil Spector als producer en later zijn contacten met Maffia-vriend en platenbaas Morris Levy. Maar daarover later meer. Over de mythologische genese van dit album zijn vele boeken en artikelen geschreven, ik beperk me tot een bescheiden resume.

 

Eigenlijk begint het verhaal van Rock ’n Roll in 1969 als de Beatles Come Together opnemen. John brengt dat liedje in voor de Abbey Road sessies en het valt meteen op dat het ritme wel erg lijkt op You Can’t Catch Me van Chuck Berry. Lennon leent zelfs een paar regels van dat nummer. Chuck Berry zingt: ‘Here come a flat-top, he was moving up with me’. John maakt daar ‘Here come old flat top, he come grooving up slowly’. Om plagiaat te vermijden stelt Paul McCartney voor het ritme te veranderen en voilà: zo ontstaat het krankzinnige, mooie, swamp geluid van Come Together.

Begin jaren zeventig dient hij namens zijn uitgeverij een copyright zaak in.

Maar… de Berry-regels blijven staan in de tekst en dat valt ook Morris Levy op. Hij is de uitgever van You Can’t Catch Me en ruikt geld. Begin jaren zeventig dient hij namens zijn uitgeverij een copyright zaak in. Die wordt aimabel buiten de rechtszaal om afgehandeld. De deal is simpel: Lennon onderkent het lenen van de Berry-regels en belooft drie rock ’n roll tracks uit de catalogus van Levy op te nemen (waaronder You Can’t Catch Me) voor een nieuw, nog te verschijnen album.

 

So far, so good. Na de opnames voor de LP Mind Games in de zomer van 1973 gaan John en Phil Spector in oktober van dat jaar in de A & M studios in Hollywood  aan de slag voor een regelrecht rock ‘n roll album dat liedjes moet gaan bevatten uit de late jaren vijftig en begin zestig. Vroege werktitels zijn: Oldies But Mouldies en Old Hat.

Maar Spector is niet meer de Spector van Instant Karma, Plastic Ono Band en Imagine. Phil heeft psychische stoornissen en doet rare dingen. Hij is de hele dag dronken, draagt een holster met pistool en vuurt het wapen zelfs een keer af in de studio. Daarnaast heeft hij half Hollywood uitgenodigd om mee te spelen op Johns nieuwe album. Elke sessie eindigt in een orgie van drank en drugs. Kortom: de takes zijn totale chaos. Tot overmaat van ramp gaat Spector er ineens met alle banden vandoor. Bijna dertig stuks in totaal. Lennon blijft achter met lege handen.

 

Wat gebeurt er met Spector? Niemand die het weet. Geruchten gaan dat hij zich heeft teruggetrokken in de woestijn, dat hij een auto-ongeluk heeft gehad en in coma ligt, of zelfs dood is. Uiteindelijk weet Capitol Records de Rock ’n Roll tapes in het voorjaar van 1974 terug te kopen voor 90.000 dollar, maar de kwaliteit laat te wensen over. Ondertussen verschijnt ook de opvolger van Mind Games: Walls and Bridges. Een succesvolle studioplaat, met aan het einde van het menu een hele korte impressie van Ya Ya, gespeeld door John en zijn zoon Julian. Aan het album is een aantrekkelijk boekwerkje toegevoegd met teksten en schetsen van de jonge John. Schetsen die eigenlijk gereserveerd waren voor Rock ’n Roll. Terugblikkend op zijn jeugd. Dat was ook logischer geweest. 

‘O.K., we’ll do sitting in the la la, that’ll get rid of that!’.

Als Morris Levy de versie van Ya Ya hoort, is hij (uiteraard) niet blij. Wat is er gebeurd met de afspraak van drie volledige tracks uit zijn muziekcatalogus? Lennon lijkt Levy wel belachelijk te maken door vlak voor hij begint met de korte versie van Ya Ya te zeggen: ‘O.K., we’ll do sitting in the la la, that’ll get rid of that!’.

 

Lennon is ook niet achterlijk en gaat direct met Morris Levy in conclaaf. Hij laat hem de tapes die hij in 1973 met Spector heeft gemaakt horen. Niet om uit te geven, maar puur om Levy ervan te overtuigen dat hij daadwerkelijk met het project bezig is, maar dat door de release van Walls and Bridges de boel vertraagd is.

 

Levy snapt het probleem. Maar hij is ook ongeduldig en wil het project eindelijk afronden (lees: hij wil geld zien). Daarom biedt hij Lennon zijn boerderij aan als oefenruimte om samen met de sessiemuzikanten Jessie Ed Davis, Ken Ascher, Eddie Mottau, Klaus Voormann, Jim Keltner en Arthur Jenkins, te werken aan de laatste tracks voor het coveralbum. Lennon neemt het aanbod aan en als iedereen weet wat van hem wordt verwacht, nemen de muzikanten van 21 tot 24 oktober 1974 de laatste rock ‘n roll tracks op in de Record Plant East in New York. Lennon is opgelucht dat al het gezeur achter de rug is en neemt in november 1974 weer contact op met Morris Levy. Hij laat hem de ruwe, vaak nog ongemixte tapes horen.  

Interessant is de tracklist. Het bevat alle songs die uiteindelijk op het officiële Rock ’n Roll album zullen verschijnen, maar sommige mixen verschillen in geluid en lengte, en de oorspronkelijke tracklist heeft twee extra songs: Angel Baby en Be My Baby.

 

Nu wordt het lelijk. Levy heeft alle tapes in zijn bezit en wil de boel uitbrengen via mail-order op zijn eigen Adam VIII label. Dat gebeurde in die tijd regelmatig en er viel veel geld mee te verdienen. Mocht dat zomaar van Capitol of Apple? Uiteraard niet, maar Levy claimde dat hij een mondeling akkoord met Lennon had afgesloten, waarin de ex-Beatle hem toestemming had gegeven de tapes uit te geven. Wat daarvan waar is, zal altijd in het midden blijven.

Drieduizend LP’s  plus 500 cassettes zijn gedrukt.

Feit is dat het album ‘Roots – John Lennon Sings The Great Rock ’n Roll Hits’ op 8 februari 1975 op de Amerikaanse markt verschijnt. Op de cover een uitgesneden foto van Johns gezicht uit 1968, omgeven door een geel veld en de tracklist. Drieduizend LP’s  plus 500 cassettes zijn gedrukt en drie dagen lang zien de Amerikanen op tv advertenties voorbij komen voor het nieuwe John Lennon album.

 

Capitol/Apple schrikt zich rot, ze spannen direct een rechtszaak aan en prepareren een spoed release van hún versie van Rock ’n Roll, die op 17 februari 1975 uitkomt. Veel schade loopt Lennon overigens niet op van de Roots release want er worden niet veel exemplaren verkocht (hier was Lennon – toen hij het hoorde in de rechtszaal, best wel teleurgesteld over!). Dankzij de bliksemsnelle rechtszaak moet Levy namelijk ogenblikkelijk stoppen met het aanprijzen van én het verkopen van zijn mail-order plaat. 

 

Het wordt een slepende zaak. Op 7 maart 1974 eist Levy 42 miljoen dollar voor geleden schade, maar als de rechter de zaak eindelijk aftimmert in 1976 komt hij er bekaaid vanaf. Hij krijgt een vergoeding voor het gebruik van You Can’t Catch Me, maar moet tegelijkertijd 100.000 dollar betalen aan Capitol en 42.000 dollar aan Lennon. De resterende Roots albums moeten overgedragen worden aan Lennon. De vraag is of dat ook daadwerkelijk is gebeurd, want Lennon – die graag zelf een Roots plaat wilde hebben – claimde dat hij drie maanden moest wachten op zijn eigen exemplaar. Hoe het ook zij: tegenwoordig wordt er grif geld betaald voor een originele Roots LP!

Afijn, dat is het Rock ‘n Roll verhaal in het kort. Het album krijgt gemengde reviews, maar is verkoop technisch niet geheel onsuccesvol: nummer zes in Engeland en Amerika en goudstatus aan beide kanten van de oceaan. Prima, dus.

 

De coverfoto is genomen door oude vriend Jürgen Vollmer tijdens het verblijf van The Beatles in 1961 in Hamburg. Da’s een mooi verhaal: John stuurde May Pang naar een Beatles conventie in september 1974 in New York en daar ontmoette zij Jürgen die op de proppen kwam met een prachtige set foto’s uit Hamburg. May belde meteen John, wetende dat hij erg enthousiast zou worden van de foto’s. En ze had gelijk. Jürgen en John spraken af en John koos een foto uit voor de cover van zijn Rock ’n Roll album. We zien hem stoer staan in de deuropening, terwijl drie vage figuurtjes (George, Stuart en Paul) voorbij lopen in de Wohlwillstraße in Hamburg. Designer John Uomoto tekende voor de neon letters ‘John Lennon Rock ’n Roll’ op de voor- en achterkant en Roy Kohara voegde alles samen tot de definitieve cover.

Het eerste dat me opviel aan de tracklist was dat Heartbreak Hotel ontbrak. Lennon zei ooit dat dit nummer zijn poort naar de wereld van de muziek was en omdat de thema’s van Heartbreak Hotel (eenzaamheid en verlies) voorlopers waren van Johns eigen muzikale thema’s, leek het nummer in mijn ogen logisch, zo niet verplichte kost, maar hij waagde  zich er niet aan. Dit keer geen filosofische en/of therapeutische bespiegelingen, maar een ongecompliceerde terugkeer naar de muzikale jeugd van John… én Phil, want Spector had ook een handje in de liedkeuze (hij stelde bijvoorbeeld Just Because voor).  

Pauls versie een stuk mellower.

Het menu opent met een up-tempo versie van Be-Bop-A-Lu-La. Niks mis mee. Het opent klassiek Lennon met dat mooie ‘Weeeeel…’ en gaat daarna lekker losjes verder met fijne solo’s en prima zang. Gene Vincent zong het in 1956 en het was een van Johns favoriete liedjes uit zijn jeugd. Funfact: John zong dit nummer op de dag dat hij Paul McCartney voor het eerst ontmoette. Paul zou zich in 2001 ook wagen aan deze track voor zijn Unplugged album. Net als John voor hem opent Paul zijn album met Be-Bop-A-Lula, alleen is Pauls versie een stuk mellower.  

 

Stand By Me van Ben E. King is een klassieker uit 1961 en het was de eerste (en enige) single van het album. Het scoorde redelijk (US 20, UK 30). Lennon weet de juiste toon te raken. De eerste zin, bijvoorbeeld, snijdt nog steeds iedere keer door me heen, hoe vaak ik het ook heb gehoord. De single versie kreeg violen tijdens de intro en is dus een andere mix dan die we op het album horen.

 

John maakte een speciale promoclip voor het lied. Voor de tv-show Salute To Sir Lew Grade – The Master Showman (opgenomen op 18 april 1975, voor het eerst uitgezonden op 13 juni 1975) zingt hij Stand By Me live, samen met Slippin’ And Slidin’ en Imagine.  Rond de release van Stand By Me ging er overigens ook een persbericht van John en Yoko naar de media dat ze weer bij elkaar waren (‘Our separation hadn’t  worked out’). De driehoeksverhouding was na anderhalf jaar voorbij: May Pang has left the building.

 

Ready Teddy/Rip It Up is een mix van twee Little Richard songs uit 1956 en toont Lennon misschien wel op zijn best. De combi van rauwe zang (dat begin!) en vette sax zijn onweerstaanbaar. Enige puntje van kritiek is dat het liedje zo kort duurt. De titel klopt overigens niet helemaal, want Lennon begint met Rip It Up en gaat daarna over in Ready Teddy. Op de Lennon Anthology uit 1998 staat een langere, meer kale versie, die overigens ook niet te versmaden is. 

 

So far so good. Drie knallers op een rij. Maar dan komt voor mij de eerste skipper en dat is dan ook nog eens de track waar alles mee begon: You Can’t Catch Me. Het liedje stamt uit 1956 en klinkt hier zompig, maar dan op een foute manier. Alsof Phil Spector (want die zat achter de knoppen) een deken over de speakers heeft gegooid. Lennon is af en toe niet te verstaan – niet zo gek met twintig muzikanten achter je – en het verlengen van de track halverwege helpt ook niet echt (de oorspronkelijke Roots versie duurt 4.05 en is ook dan niet leuk). Ik kan er niets mee en plaats het in mijn rijtje van Mumbo (Paul), Bye Bye Love (George) en Easy For Me (Ringo).

 

Met Ain’t That A Shame van Fats Domino uit 1955 gaat het gelukkig weer helemaal de goede kant op. Dit nummer was bedoeld als tweede single met Slippin’ And Slidin’ op de b-kant  (er waren al promo-exemplaren gedrukt), maar dat ging helaas niet door. Misschien omdat Stand By Me een (te) bescheiden hitje was geworden.  Jammer, want het had de sales van Rock ’n Roll zeker een handje geholpen. Op dit album is het een pareltje in de kroon. John legde uit in een interview in 1975 dat Aint’t That A Shame het eerste liedje was dat hij leerde van zijn moeder Julia en dat hij helemaal zelf kon spelen. Dat geeft het absoluut een emotionele lading. De uitvoering lijkt overigens totaal niet op die van Fats, maar dat boeit niet. Lennons uitvoering staat als een huis en was een fijne tweede single geweest. De Roots versie heeft een iets langere outtro. 

Do You Want To Dance is geen mislukte poging, zeker niet.

Do You Want To Dance (Bobby Freeman 1958) is een vreemde eend in de bijt. Lennon stapt af van het rock ‘n roll ritme en probeert iets reggae-achtigs uit. ‘Achtigs’, zeg ik dan met klem, want echte reggae is het nu ook weer niet. Volgens John kwam dat omdat de muzikanten niet bekend waren met het genre. Do You Want To Dance is geen mislukte poging, zeker niet, maar het klinkt hier en daar wat geforceerd. Toch geef ik credits voor de poging en kan ik genieten van de meanderende vrolijkheid die de track probeert uit te stralen.

 

Kant één sluit af met een tweede misser: Sweet Little Sixteen. Lennon gaat Chuck Berry’s 1958 classic te lijf als een tweedehands zanger die maar wat lijkt te doen. Het nummer komt van de Spector-sessies, dus waarschijnlijk was Lennon niet helemaal nuchter toen hij dit inzong. Waar Do You Want To Dance punten scoort voor de poging, gaat het hier helemaal mis. Sweet Little Sixteen is een skipper eerste klas.

 

Maar met vier top tracks, één oké track en twee missers, kunnen we toch tevreden terugkijken op kant één van Rock ’n Roll.

 

Kant twee opent net zo fijn als kant één.  Slippin’ and Slidin’ was een hit voor Little Richard in 1956 (Long Tall Sally was trouwens de b-kant) en Lennons treatment stelt niet teleur: de band gaat in de vierde versnelling en wie niet in beweging komt moet zich schamen. De Roots versie heeft een iets langere fade-out.

 

Over Peggy Sue (Buddy Holly 1957) valt niet zoveel te zeggen. Lennon volgt het origineel van Buddy Holly op de voet en slaagt daar prima in. Goede zang (zelfs de Holly-hik!), knallende gitaren en binnen twee minuten klaar. Vakwerk. Funfact: de royalties van deze versie gingen naar McCartney, die eigenaar was (en is) van de Buddy Holly muziekcatalogus. 

 

De Sam Cooke medley uit 1962 en 1963 Bring It On Home To Me/Send Me Some Lovin’ staat ook als een huis. Ik krijg altijd weer kippenvel van de brug van Send Me Some Lovin’. Als Lennon ‘I can feeeeel your touch’ zingt, komt dat uit zijn tenen en, in  tegenstelling tot het gegil op Sweet Little Sixteen, hier klinkt het gemeend en uit het diepste van zijn hart.

 

The Beatles waren dol op Larry Williams, dat mag duidelijk zijn. Toen John nog op de Olympus woonde, ging hij volkomen los op Slow Down, Dizzy Miss Lizzy en Bad Boy, en nu, zoveel jaren later, waagde hij zich opnieuw aan Williams. Ditmaal koos hij voor Bony Moronie uit 1957. Net als in Do You Want To Dance speelt Lennon met het ritme en zijn poging om het nummer een eigentijds gevoel te geven pakt goed uit. Het nummer rost lekker door met heerlijke gitaren en puik drumwerk. Het spelplezier komt  je van alle kanten tegemoet. 

 

Ya Ya van Lee Dorsey uit 1961 krijgt een pop-jasje aangehesen en dat moet je leuk vinden of niet. Sommige mensen vinden het niks, te ver verwijderd van het origineel, maar het kan mij wel bekoren. In West-Duitsland zag men hitpotentie want het werd daar zelfs op single uitgebracht na Stand By Me. Het klinkt allemaal wat netjes en braaf (vergelijk dat eens met de muziek explosie van het vorige nummer!) en iedereen doet zijn best.

 

Just Because sluit het menu af in grootse stijl. Het nummer van Lloyd Price uit 1957 komt van de Spector-sessies, maar in tegenstelling tot You Can’t Catch Me en Sweet Little Sixteen, maakt de muzikale tour-de-force hier wél indruk. Mooi hoe John in de intro praat over zijn jeugd en tevens schitterend hoe hij aan het einde van de track profetisch afscheid neemt van alles en iedereen (een beetje a la Ringo in You And Me Babe uit 1973): ‘This is Dr. Winston O’Boogie, saying goodnight from Record Plant East, New York. We hope you had a swell time. Everyone here says ‘Hi’. Goodbye.’

 

In de heruitgave van 2004 wordt ook nog een bonus stukje van dit nummer meegenomen, waarin John zijn oude kompanen Paul, George en Ringo groet. Overigens is op outtakes van het album ook nog een zéér ondeugende versie te horen van een zéér dronken John. Maar die tekst zal ik u besparen.

Het fenomenale Be My Baby is terug te vinden op de Lennon Anthology uit 1998.

Naast de korte Just Because bonus bevat de 2004 uitgave van Rock ’n Roll  ook nog versies van Angel Baby, To Know Her Is To Love Her en Since My Baby Left Me. Die drie tracks waren ook te horen op de verzamelaar Menlove Avenue uit 1986 (hoewel de 2004 versie van Since My Baby Left Me langer duurt). Het fenomenale Be My Baby is terug te vinden op de Lennon Anthology uit 1998. Op diezelfde Anthology uitgave kun je ook nog vier stukjes studio-dialoog horen tussen John en Phil Spector. Het geeft een indruk van hoe het er in oktober 1973 aan toe ging. Totale chaos.

 

Op een paar nummers na (twee, om precies te zijn) kan ik nog steeds met volle teugen genieten van het Rock ’n Roll album. Vooral in de auto met de knoppen open. Dat er een ‘jinx’ op het getroebleerde album leek uitgesproken, lijkt me geen overdreven uitspraak. Het gedoe rond de Chuck Berry lines in Come Together, de rechtszaak hierover, Morris Levy, de Spector-sessies, de verdwijning van Phil, anderhalf jaar gescheiden van Yoko, leven met May Pang, het terugkopen van de tapes, het Roots album, weer een rechtszaak. Het is niet zo raar dat er vele boeken en artikelen rond dit album geschreven zijn. 

 

Afsluitend kan ik als slotbeschouwing vaststellen dat de bewering die ik aan het begin van deze recensie deed (dat het nooit saai was rond John Lennon) niet geheel op onwaarheid berust. ‘You should have been there’, zoals hij zelf neerpende in de liner notes van het album.   

 

Wordt vervolgd: Venus and Mars van Wings 

 

Robin Raven 2024

STICHTING BEATLESFANCLUB NEDERLAND

Kennemerstraatweg 24

1815 LB Alkmaar