Men neme de overlengte van ‘Revolution 1’, een stukje huisvlijt opgenomen te Kenwood en het van een tape met examenvragen van de Royal Academy of Music afkomstige gesproken vraagnummer negen en de basis voor wat zonder enige twijfel de meest vreemde track op een Beatles-album is, is gelegd.
‘Nine turned out to be my birthday and my lucky number and everything. I didn’t realise it, it was just so funny, the voice saying number nine. It was a joke bringing number nine into it all the time. That’s all it was’. Aldus John Lennon in een Rolling Stone interview uit 1970.
The white album is het meest imperfecte perfecte album ooit gemaakt. Er is van alles op aan te merken, maar juist dat chaotische vind ik geniaal. Had het een beter album kunnen zijn als er hier en daar andere keuzes gemaakt zouden zijn? Als George Martin zijn zin had gekregen en het een enkele lp i.p.v. een dubbelalbum geworden zou zijn? Als er keuzes gemaakt zouden zijn die ruimte zouden hebben gelaten voor een paar ijzersterke songs van Harrison waarvoor nu geen plek was? Dat eerste waag ik te betwijfelen, ik zou geen kant van dit dubbelalbum willen missen. Maar wat het tweede betreft: zeker weten.
Why don’t we do it in the road?
‘Wild Honey Pie’ is helemaal niets. Niets maar wel een niets met een verbindende gedachte. Om het een vorm te noemen is wat overdreven. Geïmproviseerd door McCartney tijdens een sessie voor ‘Mother Nature’s Son’ alleen omdat hij daar zin in had (‘Can I just make something up?’) ‘Why don’t we do it in the road?’ Niets bijzonders eigenlijk, vaak genoemd als een song die had kunnen of zelfs moeten wijken ten gunste van een leftover van George.
En toch ben ik blij dat het zo niet gegaan is. Nee het chaotische dat kleeft aan dit album is voor mij onderdeel van de charme. Geen gladde perfectie, maar een wat rommelige kaleidoscopische ervaring. Het ene moment waan je je in Beach Boys land, het volgende in het wilde westen. Van Amerika tijdens de depressie naar de depressie van Lennon. Van de twijfelende oproep (of toch niet) tot een revolutie naar de rust van de natuur. En plotseling zweef je ergens tussen de chaos van een kermisattractie en de religieuze ondertoon van ‘Long Long Long’.
The white album is een verre van perfect album en juist dat draagt bij aan het volmaakte van het album. Het is perfect zoals het is. Of perfect, misschien toch niet helemaal. Revolution 9 sla ik altijd over.
Ik vind Number 9 behoorlijk creepy, maar dat alleen hoeft zeker geen diskwalificatie te zijn. De chaos aan het eind van Helter Skelter is ook niet bepaald rustgevend, maar dat vind ik als coda van deze song weer helemaal te gek. Bovendien hoeft muziek of kunst in zijn algemeenheid niet mooi te zijn. Number 9, ik heb er een paar dingen op tegen. In de eerste plaats is het geen Beatlessong. Het is zelfs geen song, maar een project van Ono en Lennon. In een catalogus overlopend van melodieuze liedjes is het de vreemde eend in de bijt. Maar ja, Tomorrow never knows is ook niet bepaald een melodieus liedje en toch staat het met een eervolle vermelding in de lijst Beatlessongs. Waarom kan ik niet enthousiast worden voor deze acht minuten?
Begin deze eeuw bracht McCartney in korte tijd drie albums uit: ‘Driving Rain’, ‘Chaos and Creation in the Backyard’ en ‘Memory almost Full’. De sessies voor laatstgenoemde album onderbrak hij enkele malen. Eén van die onderbrekeningen had te maken met zijn werk aan een concert voor klassiek gitaar en orkest dat hij wilde schrijven. Een nog altijd onuitgegeven werk. Voor dit project riep McCartney de hulp in van klassiek gitarist Carlos Bonell (23-7-1949). McCartney zong of speelde de melodieën voor aan deze gitarist waarna Paul aan Bonell probeerde uit te leggen welke toevoegingen, extra noten etc. hij in zijn hoofd hoorde. Bonell moest het vervolgens op de door Paul gewenste manier al spelend invullen waarna het aan het papier toevertrouwd zou kunnen worden. Een onhandig, tijdrovend proces dat blijkbaar ergens onderweg vastgelopen is, maar omdat Bonell er later over sprak met de pers geeft het wel een beeld van hoe een musicus uit een heel andere wereld kijkt naar McCartney.
Hij zei er het volgende over: ‘Other popmusicians who have tried classical music often just tack together short two or three minute snippets of melody to build up a nine minute movement. Paul establishes a theme and knows how to develope it. He completely understands classical composition. Which is incredible in its way because he can’t read or write music.’
De titel is als parodie op ‘Overture’ goed gevonden
McCartney beheerst dus de kunst van het ontwikkelen van een thema, van het structureren van een grotere compositie m.b.v. het geïntroduceerde thematisch materiaal. En precies dat onderscheidt hem van veel vakgenoten. Neem b.v. het gedeelte getiteld ‘Underture’ uit Tommy van The Who, geschreven door Townshend. De titel is als parodie op ‘Overture’ goed gevonden. De bouwstenen zijn prima en voor menigeen zal het een boeiende luisterervaring opleveren, maar of er hier sprake is van een opbouw? Een boeiende thematische ontwikkeling? Ik denk dat Bonell het compliment aan McCartney puur op basis van het door klassieke muziekvormen geïnspireerde ‘Underture’ niet ook richting Townshend had kunnen uitspreken. Daarvoor is er te weinig ontwikkeling rond het geïntroduceerde thematisch materiaal, is het teveel een aaneenschakeling van korte fragmenten zonder dat deze zich na het eerste voorstellen nog ontwikkelen in een doorwerking of iets dergelijks.
Een compositie, zelfs als het gaat om atonale muziek, heeft baat bij vorm. Het geeft de luisteraar houvast. Het is ook één van de aspecten die een kwaliteitsoordeel mogelijk maakt, de verklaring kunnen bieden voor het waarom achter de waardering. Refrein-couplet afwisseling of toch nog een derde element? Of de Rondo-achtige structuur van ‘Don’t Let Me Down’ met z’n A-B-A-C-A-B-A vorm. Waarbij A staat voor het ‘Don’t let me Down’ deel, B voor ‘Nobody ever….’en de melodisch/harmonisch vergelijkbare passage richting het eind en C voor ‘I’m in love for the first time’.
‘9’ komt voort uit het brein van Yoko en John. Ik kan me het enthousiasme tijdens het creatieve proces goed voorstellen. Twee creatieve geesten die de grenzen van het genre waarin met name John zich tot dat moment uit had mogen leven dit keer negeren. Grenzen die John al menig keer had opgerekt in zijn songs. Maar dit keer wilde hij grenzeloos te werk gaan. Geen popliedje zoals Lennon er al zoveel gemaakt had, nee dit moest een avant-gardistisch avontuur worden. Geen akkoorden die om een oplossing vroegen, geen instrumentale of zelfs ritmische beperkingen. Geen vorm. Dit keer mocht en kon alles. Maar als alles mag en kan wordt de ene keuze even verdedigbaar als elke andere. Lennon die op zijn vertrouwde werkterrein zondigt tegen de ongeschreven regels van het popliedje doet dat omdat zijn grenzeloos creatieve brein de mogelijkheden ziet ver voorbij de grenzen van het voorstellingsvermogen van zijn minder begaafde vakgenoten buiten The Beatles. Wij, de fans kunnen niet anders dan verbaasd zijn over de vruchten van zijn creativiteit.
Hoe anders is dat in het geval van ‘#9’. Er is geen referentiekader dat het mogelijk maakt om dit stuk te beoordelen. Het is wat het is, een eenzaam eiland in de zee van popmuziekuitingen van de jaren zestig. Ruim acht minuten voor de luisteraar letterlijk onnavolgbare uittingen van creativiteit. Uitingen die zich onttrekken aan elk waardeoordeel. Stelt het iets voor? Voor mij niet, voor Lennon en Ono destijds ongetwijfeld wel. Vaker beluisteren zal een zekere mate van herkenning en daarmee een door het brein geconstrueerde ‘vorm’ openbaren. Eerder genoemde ABA-C-ABA vorm van ‘Don’t let me Down’ kan ik op een bewust niveau herkennen of als ik als luisteraar daar niet mee bezig ben zal ze toch onbewust helpen bij de luisterervaring. Je kunt het op een bewust niveau niet herkennen, maar het menselijk brein dat behoefte heeft aan ordenen zal toch de houvast ervaren die de lijn van ontwikkeling van in dit geval ‘Don’t let me Down’ biedt
.
Ook minder toegankelijke modern-klassieke muziek, zoals atonale muziek of minimal music om maar eens twee vormen te noemen, heeft een verklaarbare opbouw. Die vorm kan ‘voor de gelegenheid’ vastgelegd zijn door de componist, zoals b.v. het geval is bij de twaalftoonsmuziek van Schönberg. Er is een ordening, een weliswaar totaal afwijkende manier van ordenen, maar ze ligt wel aan de basis van de compositie. Bij ‘#9’ moeten we het zonder eender welke vooropgezette ordening of daaruit voortkomende vorm doen. John en Yoko hebben de vorm aldoende bepaald.
In 1988 schrijft Mark Lewisohn in zijn (destijds) baanbrekende boek ‘The Beatles Recording Sessions’ dat verreweg de meeste fans deze collage verafschuwden en dat de meer toegewijde fans probeerden het te begrijpen. Bruce Spitzer wijdt er in één van zijn boeken een paar woorden aan. De strekking van die woorden: herhaaldelijk beluisteren maakt dat je als luisteraar enigszins een soort van vorm kunt ervaren in het geheel. Dat zorgt op zijn beurt weer voor een zekere mate van waardering.
Bonell roemt Paul om zijn vermogen klassiek te denken, thema’s door te ontwikkelen. Hij zou op basis van ‘9’ dit compliment zeker niet verwoord hebben richting Yoko en John, al was het maar omdat er hier geen oordeel over de ontwikkeling van één en ander mogelijk is. Het is als een foto-collage waarbij het er niet toe lijkt te doen of de ene foto of nu juist de andere foto rechts in de hoek geplaatst is. En zelfs als je het zou beoordelen als een stuk programmamuziek (muziek die een verhaal vertelt) is de koppeling van het begrip revolutie aan deze klanken geen vorm verduidelijkende link.
In 1966 schreef Paul McCartney het nummer ‘Woman’ voor Peter & Gordon. Als test om te zien of zijn muziek ook succesvol zou kunnen zijn als ze onder een andere naam zou worden uitgegeven, werd als componist de niet bestaande Bernard Webb vermeld. Een mislukt experiment daar binnen twee weken al was uitgelekt dat McCartney de schrijver van het lied was. Ik vraag me wel eens af hoeveel belangstelling er zou zijn voor ‘#9’ als de naam Lennon er niet aan verbonden zou zijn. Wie zou er dan de moeite nog willen nemen, nodig om tot een zekere mate van waardering te komen voor deze collage in klanken? Als niet bekend zou zijn geweest dat het de vrucht was van het brein van de man die we allemaal bewonderen?
Dus voor mij geen ‘Number Nine’
Kortom, twee redenen waarom ik deze track altijd oversla als ik The White Album beluister: het is geen (Beatles)song en het is voor mij teveel willekeur in klanken. Ik heb er, anders dan na een eerste schokkende keer beluisteren van b.v. Helter Skelter, nooit moeite voor willen doen. Dus voor mij geen ‘Number Nine’. Maar wat dan wel op de plek van de acht vrijgekomen minuten? Hoe had kant vier van dit album eruit kunnen zien tussen Cry Baby Cry en Good Night? O.k. de bij de songtitels niet genoemde link-track mag blijven, maar daarna?
De twee lp’s met Esher demo’s bestuderend lijkt me What’s the new Mary Jane niet onlogisch. Deze creatie van John toont een zekere mate van verwantschap met 9 maar schuurt ook iets meer aan tegen het Beatles idioom hoewel ze er ook nog lichtjaren van verwijderd is. Maar volgens mij is er een reden dat dit toch een enigszins vergeten song is; het is niet heel erg interessant. Puur kiezend voor kwaliteit en de opties die de demo’s bieden wegend zouden volgens mij George’s Sour Milk Sea en Not Guilty niet misstaan hebben.
Lennon’s Child of Nature zou op kant vier een soort spiegeling kunnen zijn van Paul’s Mother Nature’s Son op kant drie. De twee mannen die elkaar vooral aanvulden in tegengestelden (‘A little better all the time’ tegenover ‘It can’t get no worse’) zouden elkaar dan gevonden hebben, slechts gescheiden door een plaatkant, in liefde voor de natuur. John die zich beweegt op een gebied dat toch meer Paul’s gebied lijkt te zijn. Ik weet dat veel mensen het niet met me eens zijn, maar ik vind Junk ook een erg mooie song. Een fraaie melodie gedragen door een mooie harmonisatie en (op McCartney I) een schitterend arrangement. De songs zouden van de vierde kant een mooi zacht tegenover maken t.o.v. het geweld van de derde kant.
Paul zou hebben kunnen leven met een White Album zonder Number 9. Richard Lush (second engineer tijdens de White Album sessies) weet jaren later nog dat de reactie van McCartney toen hij #9 hoorde niet erg positief was. Ook ik zou dus goed kunnen leven met een White Album zonder #9. Maar, hoewel ik deze acht minuten echt elke keer oversla, op de een of andere rare manier maakt decennia lang telkens weer opstaan om de naald te verzetten, dat deze track er toch bij is gaan horen. Het is een soort ritueel geworden; de naald niet te vroeg van de plaat want ik wil Can you take me back niet missen maar ook de naald niet te vroeg laten zakken. Ik wil als het even kan geen seconde van Number Nine horen. Ik vind dat Lennon mij ook toestemming geeft om #9 over te slaan omdat de schepper van deze acht minuten durende collage het zelf ook niet serieus nam getuige de eerder geciteerde opmerkingen:
‘It’s just a joke……..That’s all it was.’
– Ton Steintjes –
