Hij is de jongste broer van mijn moeder en speelt, evenals zij dat deed, piano. Ik deel met hem een liefde voor het beluisteren van muziek en af en toe app ik hem om hem te attenderen op een album. Albums waarvan ik denk dat zijn vrouw en hij ze kunnen waarderen. Albums waarvan ik denk dat ze ze niet kennen.
Eén van de albums die ik zo met hem gedeeld heb is het album ‘Shades of Two Worlds’. Een album uit 1991 van ‘The Allman Brothers Band’. Een album uit wat je zou kunnen noemen het tweede leven van de band. Een band weer terug bij de bezetting met twee gitaristen en één toetsenist.
De band die de subtiele bluesnuances en de jazzy sfeer van weleer heeft verruild voor een wat loggere stijl. Warren Haynes is nu de tweede gitarist naast Dickey Betts en Warren brengt zijn eigen stijl mee. Niet dat het niet mooi is, het is vooral wat massiever en een heel klein beetje éénvormiger geworden.
‘Shades of Two Worlds’ is een fraai album. Uit deze fase van het bestaan van de band mijn lievelingsalbum. Het houdt zich ook goed staande in vergelijk tot de topalbums uit de eerste fase, de gloriejaren. Het is vooral anders met zelfs een paar songs die qua niveau niet misstaan zouden hebben op een jaren zeventig album van hen.
Ik was vooral benieuwd naar de reactie van mijn oom op twee tracks: ‘Kind of Bird’, het jazzy mindere broertje van ‘In Memory of Elizabeth Reed’ en Come on in my Kitchen’. Het eerste een eigen compositie (Betts-Haynes) het tweede een meesterlijke cover van een song van Robert Johnson. In de cover vonden mijn oom en ik elkaar.
Robert Johnson schreef ‘Come on in my Kitchen’ ergens in de eerste helft van de jaren dertig van de vorige eeuw, nam het in 1936 op waarna het in 1937 verscheen. Zoals dat een beetje bij de blues en de songs uit het publiekdomein lijkt te horen, zijn er ook in deze song elementen aan te wijzen die duidelijk geïnspireerd zijn door of ‘geleend’ van oudere songs. Wat niets af doet aan de grootsheid van deze song, ooit ‘Johnsons first masterpiece’ genoemd door muziekcriticus Elijah Wald.
Op ‘Shades of Two Worlds’ vindt deze geweldige song in een subliem arrangement van Dickey Betts dus een plek. Het beetje ademruimte aan het eind na alle massiviteit van het voorafgaande.
The Allman Brothers Band lijkt wel geschapen voor ‘Come on in my Kitchen’
Op een regenachtige dag YouTube afspeurend naar Beatlesgerelateerd materiaal kwam ik terecht bij een filmfragment van een deel van de repetitie voor ‘The Concert for Bangladesh’. De heruitgave op dvd, ongetwijfeld de bron van het filmfragment op YouTube, staat in mijn kast, maar zoals dat wel vaker gaat is er in de veelheid Beatles(solo) materiaal in mijn collectie het een en ander waarvan ik vergeet dat ik het heb. Ik neem me op de momenten dat ik dit soort beeldmateriaal toevallig tegenkom voor de dvd met extra’s weer eens te bekijken, maar vaak vergeet ik ook dat weer. Er is gewoon heel veel interessant materiaal. Teveel voor de relatief beperkte tijd die in een werkweek rest om ervan te genieten. Ik ben dus blij met een medium als YouTube dat de vergeten juweeltjes weer onder de aandacht brengt.
De opnames van de repetitie voor het concert voor Bangladesh laten de line-up voor dit concert zien terwijl ze ‘Come on in my Kitchen’ speelt. Leon Russel zingt en bespeelt de piano (inclusief solo). George zingt gedurende delen een tweede stem, speelt gitaar en neemt een gitaarsolo voor zijn rekening. Eric Clapton verzorgt een tweede gitaarpartij.
Drums, Hammond en bas completeren het geheel. The Allman Brothers Band lijkt wel geschapen voor ‘Come on in my Kitchen’. Het gaat de leden moeiteloos af. Het swingt als een gek en het arrangement en de solo’s staan als een huis.
Natuurlijk gaat het hier om een studio-opname waaraan, voordat ze aan de openbaarheid prijs werd gegeven, geschaafd zal zijn. Ik twijfel er echter geen moment aan dat deze band de song ook tijdens een eerste doorloop perfect neer heeft kunnen zetten, tot aan de improvisaties aan toe. Muziek met een groot improvisatorisch gehalte spelen zit in hun DNA. Ze hebben een antenne voor de ideeën die bij improvisatie ‘in de lucht zweven’ en het vangnet van de ervaring om ze door muzikaal zwaar weer te loodsen. Improvisatie drijft op inspiratie. Inspiratie, de geest krijgen, heeft een ongrijpbaar element. De geest krijgen zegt het al. Het wordt je gegeven. Op de mooiste momenten kun je tijdens het improviseren een gevoel krijgen van zelf passief luisteraar zijn. Je speelt en denkt tegelijkertijd: wow, gaaf! Waar komt dat vandaan?
Soms laat ‘de geest’ op zich wachten. Dan is er geen sprake van inspiratie maar van transpiratie.
Vooral op die momenten is het vangnet van de ervaring welkom. De figuurtjes en patronen die je als improviserend musicus altijd op kunt hoesten. De sjablonen die vroeg of laat de deur naar de inspiratie weer openen. En tot dat moment val je in ieder geval niet stil.
Zoals gezegd zijn de leden van The Allman Brothers Band meesterlijke improvisatoren. Greg Allman was dat misschien wat minder, maar de gitaristen in de band waren die kunst meer dan meester. Eender welke bezetting je ook neemt.
Het maakt het wat meer te begrijpen dat Paul de gitaar niet zelden zelf ter hand nam en zo op de stoel van George ging zitten
Harrison was geen geboren improvisator. Hij onderkent dat zelf zoals ook te zien is in de ‘Get Back’ documentaire. In een lofzang op Eric Clapton heeft George het over diens vermogen thema’s vast te houden en uit te werken. Het vermogen te voorkomen dat de improvisatie stil valt. Hij erkent dat hij dat allemaal niet zo goed beheerst.
Hij was meer het muzikale equivalent van een professor in een laboratorium. Hij zocht altijd naar de perfecte invulling van partijen. ‘Roll over Beethoven’ b.v. kreeg op ‘With The Beatles’ geen op dat moment geïmproviseerde door de geest ingegeven solo. Nee, George greep terug op de solo zoals hij die al in Hamburg speelde. En dat terwijl de vroege uitingsvormen van Rock and Roll zich bij uitstek lenen voor geïmproviseerde solo’s.
Vooral in de eerste jaren in de studio met John, Paul en Ringo moet dat niet altijd makkelijk geweest zijn voor hem. Nieuwe songs zag hij vaak pas op de dag van opname als de schrijver ermee aankwam. De architect van muzikale bouwwerken moest ter plekke met iets komen. Niet zijn kracht.
Het verschil qua solo tussen de vroege Anthology take van ‘Can’t Buy Me Love’ opgenomen in Parijs en de ongeveer een maand later in London opgenomen solo zoals die te horen is op ‘A Hard Day’s Night’ is immens. Het is niet onwaarschijnlijk dat George in Parijs de song net had leren kennen. Een maand later had hij erover kunnen denken, eraan kunnen sleutelen. Het resultaat: een erg mooie en overtuigende solo.
George was de componerende eenling in de band. John en Paul waren niet alleen een tandem en hebben dus samen het vak kunnen leren, zij kwamen ook met zo goed als alle songs. En waarom zou Paul aan George uit moeten leggen wat hij verwachtte qua solo etc. als hij het net zo makkelijk zelf zou kunnen spelen? Peter Frampton herinnerde zich jaren later een gesprek met George dat plaats vond in 1971 waarin hij vroeg of hij Harrison een aantal Beatlessongs mocht laten horen. Opmerkingen over de kwaliteit van solo’s etc leveren vaak als antwoord van George een ‘oh, that was Paul’ op. Leon Russel beschrijft ergens een soortgelijke ervaring. Het leek George in de jaren zeventig niet meer te raken, maar het kan niet anders of deze ervaring moet krassen op zijn ziel veroorzaakt hebben.
Kijkend en luisterend naar George Harrison en zijn voor de gelegenheid samengestelde band, repeterend voor de concerten voor Bangladesh, viel me weer eens op dat George geen geboren improvisator is. Zijn solo voor de Robert Johnson song is adequaat maar meer ook niet en in de tweede helft lijkt hij zich bijna vast te vreten op de ingeslagen weg. Niet dat Harrison geen ideeën had. Hoe zou dat ook kunnen bij de geweldige lijst songklassiekers die hij op zijn naam heeft staan. George had zoals gezegd tijd nodig om ideeën uit te werken. Hij was de man van het eindeloos zoeken naar de perfecte notenreeksen, niet de man die, zoals McCartney dat wel kan, uit het niets een solo uit de hoge hoed kon toveren. Het maakt het wat meer te begrijpen dat Paul de gitaar niet zelden zelf ter hand nam en zo op de stoel van George ging zitten.
The Beatles hebben twee keer aan deze song gewerkt
George heeft eindeloos veel memorable solo’s nagelaten zowel op zijn solo-albums als op de albums van The Beatles. Soms is het, waarschijnlijk zonder het voorbereidende huiswerk, niet heel bijzonder, vaker is het gewoon prima, maar heel vaak zijn deze soli ook echt geweldig.
‘Something’ heeft zo’n solo waar ik na decennia beluisteren nog steeds met bewondering naar luister. Hetzelfde geldt voor de solo van ‘Let it Be’ (albumversie). Een solo die bijna atypisch is door zijn wat ruige energie.
‘One after 909’ heeft op ‘Let it Be’ ook een meer dan interessante gitaarpartij en solo. The Beatles hebben twee keer aan deze song gewerkt. De eerste keer in 1963 wat op niets uitliep en natuurlijk uiteindelijk met veel meer succes in 1969 alwaar de uitvoering op het dak resulteerde in een plekje op het album.
De sterke en minder sterke kanten van Harrison komen in beide pogingen om tot een releasebare track te komen goed aan het licht. Natuurlijk moet je hierbij meenemen dat de Harrison van 1963 een jonge relatief onervaren gitarist was en dat de man in 1969 heel wat meer muzikale meters gemaakt had. Maar ook in 1963 zou je George allesbehalve een groentje op het gebied van improvisatie kunnen noemen. De vele avonden in Hamburg waar songs tot in het oneindige moesten worden opgerekt hadden hem gepokt en gemazeld.
In 1963 lijkt er geen goed plan te zijn, geen duidelijke lijn waarlangs de song ‘909’ als geheel zich zou moeten ontwikkelen. Het sleept ook een beetje voort zonder echte energie. De solo’s van George zijn matig, een beetje monotoon. Ook ontbreekt de logica die voor een gevoel van samenhang zou moeten zorgen.
In de vrieskou op het dak in 1969 is het een heel ander verhaal. Harrison heeft een solo uitgewerkt die handen en voeten heeft. Een logische solo, een geïnspireerde solo. Het soort solo waarmee hij zich kan meten met elke grote naam.
Het mooie aan dat rooftop-concert vind ik dat dit eigenlijk de enige keer is dat je The Beatles kunt zien en horen concerteren terwijl het professioneel klinkt en er ook nog eens dito uitziet.
Het beeldmateriaal van de jaren dat ze nog tourden wordt, naast het irritante alles overstemmende gegil van de fans, vooral in de jaren richting het eind van het touren, ontsiert door de duidelijke tegenzin van iedereen behalve Paul. Paul zal het ook niet leuk meer gevonden hebben, maar hij liet het nooit merken. Daarnaast wist Lennon vaak niet hoe zich te gedragen op een podium of was hij zo klaar met de chaos rond hun pogingen tot een redelijk concert te komen dat hij, als hij niet liet merken dat hij baalde, gekke gezichten trok of deed alsof hij geestelijk gehandicapt was. Nee het levert vaak een niet bepaald inspirerend plaatje op.
Hoe geweldig is in vergelijking daarmee het concert op het dak. Paul is even enthousiast als altijd. George lacht zowaar met regelmaat en gevieren (vijf met de waanzinnige Preston) spelen ze de pannen van het dak.
En de altijd cynische Lennon? John lacht en geniet overduidelijk. Een voet in een niet meer helemaal witte gymschoen stampt op de maat van de muziek dat het een lieve lust is terwijl er een kabel onder de schoenzool lichtjes heen en weer rolt. Lennon houdt zich nergens in. Dit is muziek maken. Hier spelen vijf mensen en ze gaan er helemaal in op. Hier zou, als het niet zo stervenskoud geweest was, zeker sprake geweest zijn van transpiratie. Maar niet de transpiratie bij gebrek aan inspiratie, nee hier is juist sprake van muzikale transpiratie doordat iedereen zo overduidelijk geïnspireerd is.
Rond 1980 had ik het geluk dat er een heel klein deel van het rooftopconcert werd uitgezonden in een programma over The Beatles op de Duitse tv. Het was ook puur geluk dat ik wist dat die uitzending eraan zat te komen. In die tijd was de kans iets te missen vele malen groter dan de kans er tijdig weet van te hebben.
Daar zag ik voor het eerst hoe de stilstand van de enkele foto die ik van het gebeuren kende uit een boek dat ik had, er in bewegende sequenties uitzag. Toen kreeg ik voor het eerst kippenvel omdat mijn helden daar samen op een heel hoog niveau muziek maakten en ik mocht er een beetje bij zijn. Ze hadden er overduidelijk plezier in.
Ik wist niet beter of het was op het persoonlijk vlak op dat moment kommer en kwel. Maar deze beelden straalden iets anders uit. Vier door muziek geïnspireerde jonge mannen hadden, naar later zou blijken, nog één laatste keer de toegang tot de magie van het ‘wij samen’ gevonden. Natuurlijk zouden ze daarna nog samenwerken aan ‘Abbey Road’. Ze zouden nog één keer iets magisch creëren met elkaar, maar de magie van de moeiteloze muzikale verbinding stierf die dertigste januari 1969 niet lang nadat de laatste noot vervaagd was.
De volgende dag was het tijdens het vastleggen op film van de songs die niet geschikt waren voor het dak weer buisiness as usual. Maar dat ene magische moment nam niemand ze meer af, neemt niemand ons meer af.
– Ton Steintjes –
