Begin 2024 wees zélfs het Acht-uur journaal ons op Billy Joels nieuwe single Turn the Lights Back On, waarmee hij – afhankelijk hoe je rekent – een radiostilte van 31 jaar doorbrak. Het clipje maakt maar weer eens duidelijk hoe snel de techniek voortschrijdt: het filmpje opent met de huidige kalende Billy, om vervolgens per couplet een oudere . . . euhm . . . jongere – en hariger! – versie van hem ten tonele te voeren. Waarom dan die lange radiostilte? “And since he has enough hits to tour forever and draw enormous crowds, he had little incentive.” (#). Teren op oude roem als verdienmodel? Foei, Billy! Maar ja, doet onze Macca – al verblijdt hij ons wel al jarenlang met nieuwe muziek – het zoveel anders in diens concerten?
Enfin, laat ik me weer focussen op de capita selecta van mijn herinneringen – dit keer vanaf mijn geboorte – aan We Didn’t Start The Fire (1989):
British Beatlemania – Mijn vroegste herinneringen aan onze Fab4 pendelen tussen gillende meisjes in zwart/wit en mijn hoofdschuddende ouders . . .
JFK blown away – Dat de titel Vier Zwarte Dagen (1964) van het fotoboek bij ons thuis op de moord op de Amerikaanse president Kennedy sloeg, kwam pas goed bij me binnen na Oliver Stone’s briljante JFK (1991) film. Het ontrafelde complot duizelde me, hoewel Stone er gemakshalve enkele onwelgevallige feiten uitzeefde. Dat dit complotdenkers kenmerkt, bleek tijdens de Corona-crisis.
Birth control – “Mam, je vergeet je medicijnen mee te nemen” riep ik – de doordrukstrip achter haar aan brengend – toen ze een paar dagen met mijn Oma op pad ging. Dat die pilstrip de reden was dat ik enig kind was, ervaar ik tegenwoordig als een zegen.
Moonshot – Mijn vader raakte mijn schouders aan. Ik keerde met tegenzin terug uit dromenland. “Ze lopen op de maan, kom je kijken?” De twijfel stak even de kop op, maar mijn bed was warm, ik was slaperig en die droom was fijn. ”Hoeft niet” mompelde ik en draaide me om. Tot op de dag van vandaag heb ik spijt dat ik te (weer) weinig – ik was een moederskindje – oor had voor Papa.
Woodstock – Hoewel feitelijk op 17, reken ik het optreden van The Who op Woodstock tot 16 augustus 1969. Mijn zevende verjaardagsfeestje was net achter de rug, cadeautjes uitgepakt. Ik was ongetwijfeld vermoeid en lag waarschijnlijk vroeg op bed. Tegen de tijd dat wij vertrokken voor onze wekelijkse zondag op de Loosdrechtse plassen, zetten Pete Townsend en de zijnen – terwijl de nachthemel oplicht door de zonsopgang – de finale in met My Generation (1965). Hoewel ik live optredens alleen waarder als ik present ben, maak ik voor The Who – en zéker op Woodstock – een uitzondering.
Watergate – Toen ik het acht-uur journaal begon te volgen, irriteerden de steeds terugkerende beelden van het Watergate-hotel me enorm. Waarom toch steeds dat betonnen hotel? De Amerikaanse president woonde toch in het Witte Huis? Richard Nixon bleef me trouwens vooral bij omdat hij op mijn opa leek.
Punk rock – Met het Vara-programma Wonderland over het Punk-fenomeen in 1977 transformeerde het hoofdschudden van mijn ouders in afgrijzen en verbijstering. Als contrast: ik kocht dat jaar With The Beatles.
Begin, Reagan, Palestine, terror on the airline – De explosieve mix van Israël, de Arabische staten en de stateloze – en kennelijk rechteloze – Palestijnen domineert tot op de dag van vandaag het wereldnieuws. Toen wij kort voor de eeuwwisseling rondreisden in Syrië, raakten we aan de praat met een vriendelijke jongeman. Toen Israël (uiteraard) ter sprake kwam, stond de fanaticus in hem op: “I will offer my life and blood for Islam.” We glimlachten hem superieur toe; de vredesonderhandelingen waren immers in een ver gevorderd stadium. Wat waren we naïef! Zou hij nog in leven zijn?
Heavy metal suicide – Via het Betonuur van Alfred Lagarde kwamen Judas Priest, Saxon en Iron Maiden tot mij. De verliefdheid doofde snel toen de agressieve teksten binnenkwamen. Ze gaven me vooral de slappe lach; jongens, grow up! Triest dat die woorden andere jongeren de levenslust ontnamen.
AIDS – De opkomst van AIDS was ver van mijn bed, omdat ik niet bij de risicogroepen hoorde. De angst ervoor bleef me vreemd. Pas toen ik een overlijdensadvertentie las van de vriend van een studiegenoot, kreeg die dodelijke ziekte een gezicht en een naam (##).
China’s under martial law – Iedereen kent wel een onvervulde grote liefde. In de tachtiger jaren was Marieke dat voor mij; een keurig, bescheiden dorpsmeisje dat vaak niet op haar plaats leek in de grote stad en in haar studie Tandheelkunde. Zij was ineens in het centrum van de wereld tijdens de studentenopstanden in Peking. Míjn Marieke? In China? Sindsdien voel ík me het dorpsjongetje en erken ik haar – inmiddels een gevestigde naam in de geneeskunde – als de kosmopoliet van ons tweeën.
Cola wars – Die smaaktest van Pepsi-Cola in de STER-reclame fascineerde me. Waren het acteurs of was het andere glas cola gewoon een heel goedkoop huismerk? Of deden ze zout in de Coca-Cola? Mijn kinderen en ik ervaren namelijk Pepsi als een laffe variant van het origineel. Trouwens, hoe zou een Sputnik met Pepsi smaken?
Bezongen The Beatles nog slechts A Day In The Life (1967), Billy Joels ambities overvleugelden dat ruimschoots met diens decennia omspannende We Didn’t Start The Fire. Dat dit mede door zijn relatie met de jeugdige Sean Lennon van de grond kwam, bewijst eens te meer aan dat vader John zélfs over zijn graf collega muzikanten tot grootste dingen wist te inspireren.
- Peter van der Linde - reacties: [email protected]
