Toen hij nog een erudiet baken was en niemand zijn post mortem teloorgang voorzag, genoot ik met volle teugen van televisiepersoonlijkheid Boudewijn Büch (*); zijn enthousiasme, belezenheid, gektes en zijn literaire oeuvre opende deuren die tot dan toe aan mijn zicht onttrokken waren. Achter één ervan trof ik Johann Wolfgang (von) Goethe (1749 – 1832). Op de middelbare school wekte docent meneer Luca al mijn interesse voor Faust (1772 – 1832) en op Büchs advies trok ik mij Het lijden van de jonge Werther (1774) aan. Ik verbaasde me over de perspectivische vertekening op het schilderij Goethe in de Campagna (1787) van Johann Tischbein (1751 – 1829) en duid de twee lobbige bladeren van de Ginkoboom inmiddels als Goethe-bladeren. Boudewijn attendeerde me er op dat de Duitsers zo’n beetje elke plek die Hij aandeed heilig verklaren en de herinnering levend houden met een buste, gedenkplaat of anderszins; voor mij reden genoeg om sindsdien Duitsland naar Goethe-memorabilia af te speuren.
Achter mijn fascinatie met The Beatles draait een vergelijkbaar mechanisme. Uiteraard ken ik Hun – let op de hoofdletter – muziek van binnen en buiten, lees ik hun biografieën van voor naar achter en abonneer ik me op de Macca-podcast of Fab4Cast. Echter, mínstens zo fascinerend is hoe hun roem zich tot op de dag van vandaag in alle uithoeken van de maatschappij manifesteert. Zo heb ik inmiddels een lijstje met Fab4-gerelateerde standbeelden; van Havana, via Ulaanbaatar en Obertauern tot Houston. Ik zag op het witte doek hoe I Am Sam (2001) of Yesterday (2019) hun erfenis – indirect of direct – verbeeldden. Ik las Norwegian Wood (1987) en With The Beatles (2020) van Haruki Murakami. Ik spits mijn oren als ik Real Love (1988) hoor langskomen in de Milka-reclame en tast in mijn buidel als ik weer een muziekdoosje met Yellow Submarine (1966) aantref. En op mijn T-shirt van de Camino naar Santiago de Compostela steken vier pelgrims hét zebrapad over . . .
Titles (1975) van Barclay James Harvest zette me op het spoor – ruim vóórdat de rest van het internet me daarin volgde – van het eerbetoon dat collega-muzikanten betonen aan “The four kings of E.M.I.” Voor wie het nog niet weet; The Monkees verwezen in hun Randy Scouse Git (1967) cryptisch naar John, Paul, George en Ringo. (Letterlijk) talloze artiesten eerden de Fab4 in hun liedjes, veelal tekstueel. Soms om een tijdgewricht aan te geven; luister maar wat Badly Drawn Boy in You Were Right vertelt: “I remember doing nothing on the night Sinatra died. And the night John Lennon died”. Soms een citaat, al dan niet met een knipoog; ondanks de taalbarrière lijkt me “Det är 40 år sen just idag, Beatles var the lonely hearts club band” in Våga vara rädd (2007) van Kent begrijpelijk. Soms gewoon als grap, waarvan Guns and Cigarettes (2001) van Atmosphere een hilarisch voorbeeld is; ”(. . .) bigger than Jesus and bigger than wrestling, bigger than the Beatles and bigger than breast implants.” Hier en daar wordt ook muzikaal geciteerd, denk aan Young Americans (1975) van David Bowie.
Toen ik me zo’n vijf jaar geleden (#) aan deze reeks columns zette, was ik vooral van plan om Beatles-verwijzingen minutieus voor jullie te analyseren en duiden. Maar zoals ik ooit bij een mediatraining ervoer; je praat het makkelijkst als je je verhaal start vanuit je eigen belevingswereld. Al snel werden mijn columns persoonlijker en lardeerde ik de Fab4-connectie met (vooral)jeugdherinneringen tot het punt waarop ze eigenlijk meer tot ego-documentjes met een Beatles-randje evolueerden. Leuk voor mijn kinderen, zodat ze ook ná mijn verscheiden over hun vaders jeugd kunnen lezen, maar misschien minder boeiend voor de anonieme buitenstaander. Kortom, tijd om er een punt achter te zetten. De koek is op, tijd om de bladzijde om te slaan.
In retrospectief vind ik het verhaal over Wim Sonnevelds Het Dorp (4 oktober 2020) het best gelukt, met name omdat het zichzelf min of meer schreef en een blauwdruk voor de daaropvolgende reeks werd. Die over ELO’s Shangri La (4 januari 2022) komt het minst goed uit de verf, vooral omdat mijn gedachtesprongen en associaties nét te veel van het goede zijn (al vond ik deze dan wel weer erg leuk om te schrijven; het deed recht aan de dynamiek in mijn hoofd).
Hoe nu verder? Vind ik mezelf opnieuw uit? Vooralsnog speel ik met het idee om de rol van onze helden in fictie (romans, strips, films) bij de lurven te pakken. Denk aan de romans Beatlebone van Kevin Barry (2015), She Loves You van Ann Hood (2018), Drive My Car & Yesterday (verhalen in Mannen Zonder Vrouw, 2016) van Haruki Murakami. Ook Yesterday (1997) van Lars Saabye Christensen en Two Of Us (2004) van Peter Smith wachten geduldig in mijn Beatlesaltaar . . . euhm . . . boekenkast. Lees eens de strips van Asterix en de Britten (1966) of Het Voronov-complot (2000) van Blake & Mortimer. Uit de DVD-bakken van de kringloop heb ik inmiddels Across the Universe (2007) gevist. Eens kijken of ik Rámon kan overtuigen om me in 2026 weer een plekje te gunnen op deze site.
Voor nu, ik vond het erg leuk om deze 52 – ik reken de twee miniatuurtjes over Billy Joel overigens als één – columns te schrijven. Duizendmaal dank voor jullie aandacht, reacties en suggesties.
- Peter van der Linde - reacties: [email protected]
*: Ik zeg vaak: “Al het goede begint met een B”. Büch, Bach, Beethoven, Beatles, Bier, Blij, Borrelnootjes . . .
#: beluister (weer) eens de ouverture van mijn reeks columns, samen met Peter van Cappelle
