De bioscoopzaal is zo’n driekwart gevuld, meer dan ik voor One Hand Clapping (2024) bevroedde. Vol verwachting klopt mijn hart. De gezetelde – uiteraard veelal wat oudere –toeschouwers richten zich kreunend op en verlenen ons ruim baan naar de gereserveerde plaatsen in het midden. Als ik een paar rijen achter ons een buurtgenoot herken, roep ik hem lachend toe: “He, jij bent toch een Stones-fan, zit jij wel op de juiste plek?”
Toch raar; weer zo’n cliché waaraan ik me onbewust conformeer. Je houdt òf van The Beatles òf van The Rolling Stones. De fans zijn als olie en water, of, zo je wil; vuur en water. Het mengt niet, is onverenigbaar en sluit elkaar uit. De keurige kapsels van John, Paul, George en Ringo versus de ongewassen haren van Mick, Keith, (aanvankelijk) Brian, Bill en Charlie. Maar tegelijkertijd kun je beweren dat beide bands de hoekstenen . . . euhm . . . hoekstukjes vormen van de puzzel van de popmuziek, toch?
The World’s Greatest Rock And Roll Band en de Fab4 kun je beschouwen als de mal en contra-mal van de jaren zestig. Immers, de Beatles inspireerden en de Stones raakten geïnspireerd. Óns viertal effende het pad en dát vijftal volgde op de voet. Denk bijvoorbeeld aan albums als Their Satanic Majesties Request (1967) als antwoord op Sergeant Pepper (1967) of aan de sitar in Paint it black (1966) en Norwegian Wood (1965).
Dat gezegd hebbend – en jullie zullen mijn stelling vast in meer of mindere mate onderschrijven – contrasteert het negental in de ogen van het doorsnee publiek. Daarom verbaasde Een Beatle & Een Stone (2024) van Snelle me niet:
Haar vader was een Beatle en de mijne een Stone,
zij luistert liever Flemming en ik liever Antoon.
Ik vind het creatief gerijmd, Lars (#), petje af, al denk ík bij die namen aan Ian Fleming (1908 –1964) en Antoon Coolen (1897-1961). Díe bedoel je niet, neem ik aan.
Een vergelijkbare insteek kiest Delaney Bramlett – inderdaad, van Delaney & Bonnie – met diens Are You a Beatle or a Rolling Stone (1972). Het is echter niet alleen de Beatles/Stones-antithese die de klok slaat. Al in 1966 vertelde Gianni Morandi in C’era un ragazzo che come me amava i Beatles e i Rolling Stones (1966) over een man die net als hij naar beiden luistert en het leven laat in Vietnam. Ik herinner me op mijn beurt een concert in Paradiso van House of love. Veel te luid en te veel overstuurde gitaren, waardoor hun ingetogen Beatles And The Stones (1990) nauwelijks uit de verf kwam:
The Beatles and the Stones, sucked the marrow out of bone
Put the V in Vietnam, The Beatles and The Stones, made it good to be alone.
Over Beatles versus Stones is van alles en nog wat in liedjes terecht gekomen. Captain Beefheart associeert in Beatle Bones and Smokin’ Stones (1968) bijvoorbeeld vrijelijk verwijzingen naar beide. De Eurythmics koppelen in Shame (1987) tekstueel We Love You (1967) met All You Need is Love (1967). En zo kan ik nog wel even doorgaan.
Wat mij betreft werd na I Wanna Be Your Man (1963) de relatie tussen de songwriters Lennon/McCartney en Jagger/Richards veeleer symbiotisch, met de mooiste tracks van de jaren zestig als schitterend resultaat. Dus sluit ik – to cut a long story short – af met de wijze conclusie van Snelle, als hij ons voorhoudt:
Na na na na na na (een Beatle en een Stone)
Na na na na na na (één liedje, één droom).
Op 6 december 1969 spatte die droom als de spreekwoordelijke zeepbel uiteen met de dood van een fan tijdens een concert van The Rolling Stones in Altamont en de zwanenzang op Let It Be (1970). Hoewel anders bedoeld, vat Roger Waters de teloorgang van de sixties treffend samen in Comfortably Numb (1979):
I turned to look but it was gone, I cannot put my finger on it now,
The child is grown, the dream is gone; I have become comfortably numb.
De hoop van de zestiger jaren verdampte en de grimmige realiteit van jaren zeventig bleek een opmaat naar de No Future van de donkere eighties.
- Peter van der Linde - reacties: [email protected]
